Zwijgen is in situaties van academische seksuele intimidatie toxisch

Het geweld van stilte

© Brecht Goris

Anya Topolski

Twintig jaar lang zweeg ze erover, maar recente gebeurtenissen zetten academica Anya Topolski ertoe aan om de stilte te doorbreken. Ze doet een dwingende oproep om eindelijk komaf te maken met het elitarisme, seksisme en racisme binnen de academische wereld. Wat het allemaal nog erger maakt, is het zwijgen van de academische gemeenschap.

Twintig jaar geleden kwam ik naar Leuven om een master in Filosofie te volgen. Mijn klas bestond uit 22 studenten, waaronder twee vrouwen. Ik kwam van een Canadese universiteit waar de helft van de Filosofie-professoren en 40 procent van de studenten vrouw was; mijn eerste maanden in Leuven werden getekend door een (academische) cultuurshock.

Een aantal heftige herinneringen die ten grondslag lagen aan deze shock heb ik – met wisselend succes – proberen te onderdrukken, maar kortgeleden is er iets in me geknapt (een snap, zoals dat ook bij anderen gebeurt). Ik wil niet langer stil zijn. De stilte voelt nu gewelddadiger dan de shockerende gebeurtenissen zelf.

Op het jaarlijkse kerstfeest van mijn faculteit, een paar maanden na de start van mijn studie, was ik het slachtoffer van seksuele intimidatie.

Vervreemding

De avond begon met een kerkdienst, een vreemde ervaring voor zowel mij als mijn eveneens vrouwelijke studiegenote. Als respectievelijk Joodse en moslima namen we als enige twee niet deel aan de viering.

Ik was deels gefascineerd door het ritueel, maar tegelijkertijd voelde ik me vervreemd. Het benadrukte dat ik er niet bij hoorde. Ik realiseerde me pas toen dat sommige van mijn docenten priesters waren, wat me nog bewuster maakte van de mogelijkheid dat ik me nooit thuis zou kunnen voelen op een katholieke universiteit.

Ik had nooit eerder een priester ontmoet. Het deed me beseffen dat het katholicisme veel meer was dan de kunst en de kruisen aan de muur in de universiteitslokalen; het stond centraal in het denken en handelen van mijn docenten. Die overigens ook allemaal mannen waren.

'De boodschap was: de wetenschap is niet voor mensen als ik.'

Dit gevoel van vervreemding werd versterkt door wat er later die nacht gebeurde op het faculteitsfeest in de kerk (een ruimte die voor veel Joden overigens onbekend terrein is). Er waren eten, alcohol en entertainment en er werd gedanst. Na het eten ging ik samen met een Amerikaanse uitwisselingsstudente naar het toilet.

Toen we weer naar buiten kwamen, werden we gestopt door twee mannelijke professoren. Ze dreven ons in het nauw in de gang en duwden zichzelf tegen ons aan. Ze betastten ons, terwijl ze vroegen of we hadden genoten van de dienst en het feest, en hun waardering uitspraken over onze internationale, filosofische geesten.

Wij waren allebei in shock en in paniek. Hoe kwamen we hier weg? Ik kan me tot op de dag van vandaag niet herinneren hoe we dat voor elkaar hebben gekregen.

Recente gebeurtenissen brachten deze pijnlijke herinnering, die ik tot nu nooit heb gedeeld, weer naar boven. Die avond was een van de eerste van vele impliciete en expliciete tekenen dat ik wellicht nooit thuis zal horen in de academische wereld. De boodschap was: de wetenschap is niet voor mensen als ik. Daarom waren er geen vrouwelijke professoren, en daarom bestaat de canon bijna alleen uit mannen.

Als vrouw in de wetenschap

Het is waarschijnlijk geen toeval dat ik besloot mijn promotie te wijden aan Hannah Arendt, een van de weinige vrouwen in de Europese filosofische canon. Ze was bovendien Joods, maar overigens zeker geen feministe. Onbewust was die keuze mijn manier om mezelf hoop te geven in de wetenschap, mezelf voor te houden dat ik net als Arendt onderdeel kon zijn van deze gemeenschap.

Erachter komen dat haar briljante professor misbruik van haar maakte, hielp daar niet bij. Net zomin als het feit dat dit nooit als problematisch werd gepresenteerd of niet in verband werd gebracht met ongelijke machtsrelaties.

Mijn verlangen om onderdeel te zijn van de universitaire gemeenschap heeft diepe wortels. Mijn ouders hadden nooit de kans om aan de universiteit te studeren, en ik werd opgevoed met een ongelofelijk geïdealiseerd beeld van wat de universiteit was en kon zijn. Professoren en wetenschappelijke kennis werden op een voetstuk of altaar geplaatst. Educatie was de sleutel tot rechtvaardigheid in deze wereld.

Ondanks wat ik nu weet over kennisproductie en politiek op de universiteit wil ik dit ideaal niet helemaal loslaten. Maar wat er die specifieke avond op het faculteitsfeest gebeurde, samen met de realisatie dat anderen nog gewelddadiger ervaringen hebben, deed me realiseren dat de universiteit vandaag de dag geen plek is voor iedereen.

Om haar potentieel waar te maken, moet de academische wereld worden getransformeerd tot een veilige en gastvrije ruimte, voor iedereen. Gastvrijheid betekent dat de universiteit in woord en daad moeite doet om deuren te openen, nieuwe kansen te creëren voor diegenen die nu worden buitengesloten.

Om dit mogelijk te maken en om te zorgen dat iedereen deze transformatie accepteert als eerlijk, moet de universiteit (en de samenleving als geheel) toegeven dat ze schade heeft aangericht. Oftewel: ze moet toegeven dat elitarisme, seksisme en racisme institutioneel zijn.

Waarom we zwijgen

'Zwijgen is in situaties van academische seksuele intimidatie toxisch. Het vergroot het geweld.'

Deze ervaring, samen met vele andere aan verschillende universiteiten in de Lage Landen, heeft mijn academische carrière getekend. Ze heeft me een pijnlijke les geleerd. Want wat me sinds dat moment verontrust, is de vraag: waarom zweeg ik? Waarom gaf ik deze professoren niet aan? Waarom voelde ik me niet eens veilig genoeg om deze ervaring met medestudenten te delen? Hoe kan ik ooit bijdragen aan de missie van de universiteit – om kennis te delen met de wereld – als ik me niet welkom, thuis, en veilig voel?

Eén reden waarom mensen zwijgen, is dat we na zulke demoraliserende ervaringen geen (emotionele) energie hebben om ons uit te spreken. Een andere is – en dit heb ik vaker gehoord van zoveel anderen die het mikpunt waren van institutioneel seksisme en andere vormen van systematisch onrecht, waaronder racisme – dat we zwijgen omdat we bang zijn te ontdekken dat niemand zal luisteren.

Bang dat niemand actie zal ondernemen om onze problemen te voorkomen, en dat de impliciete boodschap ('jullie zijn niet welkom') expliciet zou worden. Want dit maakt het allemaal nog erger: het zwijgen van de academische gemeenschap en, bovenal, haar nalatigheid om actie te ondernemen. Lege woorden, waarvan er in de post-MeToo-tijd zoveel zijn, zijn extra klappen in ons gezicht.

Wat ik heb meegemaakt was verschrikkelijk, maar bad things happen to good people. Wat mijn ervaring echt ondraaglijk maakte voor mij, en wat nog steeds gaande is, is dat degenen die aan de macht zijn niet bereid lijken dit onrecht te stoppen.

Tot zij bereid zijn daders te straffen, wier daden ons vertrouwen in de leeromgeving verwoesten en die een belediging zijn voor de verkondigde academische normen, tonen de machthebbers zovelen van ons impliciet dat we er niet bij horen. Dat we geen gelijkwaardige leden zijn van deze gemeenschap. En dus dat de bewijslast, die voor mij was verweven met schaamte, bij ons ligt. We staan zo vaak alleen. Deze ervaring heeft mijn vertrouwen in de wetenschap en mijn geloof in onderwijs kapotgemaakt.

'Stilte is het belangrijkste middel voor behouden van de elitaire, uitsluitende, gewelddadige status quo.'

Zwijgen, opgelegd door anderen of zelfopgelegd uit angst en precariteit, is in situaties van academische seksuele intimidatie toxisch. Het vergroot het geweld. Ik voelde me gekwetst en machteloos, had niemand bij wie ik terechtkon voor bescherming, niemand die me kon helpen te zorgen dat dit niet weer zou gebeuren met mij of met anderen. Het heeft me – opnieuw – doen overwegen om (zoals anderen al deden) de wetenschap te verlaten.

Wellicht is het naïef om te denken dat deze omstandigheden beter zijn in andere werkvelden. Ik leerde altijd dat educatie de grootste hefboom voor gelijkheid en hoop voor een betere wereld is; het blijft hoe dan ook tragisch dat net die educatie voor velen een gewelddadige ervaring herbergt.

Een ander soort zwijgen is het zwijgen van omstanders, ook toxisch en gewelddadig. Omstanders blijven vaak stil door hun eigen precaire positie, of om strategische redenen. Intimidatie kan alleen plaatsvinden als genoeg mensen hun ogen sluiten, als ze de schade die een collega heeft aangericht bagatelliseren, alsze een studente vertellen dat die een verhaal beter niet kan delen.

Zoveel (vrouwelijke) collega’s hebben me in vertrouwen verteld dat ook zij zwijgen over onrecht dat hen of anderen is aangedaan. Vaak met goede redenen. Maar zwijgen, stilte, of eigenlijk het zwijgen opleggen is het belangrijkste middel voor behouden van de status quo – een status quo die momenteel elitair, uitsluitend en gewelddadig is.

Een rechtvaardiger universiteit

Het heeft een aantal jaar geduurd voordat ik me realiseerde dat ik, als ik kennis wil produceren om de wereld rechtvaardiger te maken, ook de universiteit zelf rechtvaardiger moet maken.

Concreet betekent dit dat ik (zoals veel anderen) twee banen heb. Eén waarvoor ik word betaald, en één waarvoor ik moest accepteren dat ik als ‘het probleem’ gezien word. Want eisen dat de universiteit een veilige en gastvrije plek wordt voor iedereen, heeft ook als gevolg dat ik iedereen erop wijs dat dit nu niet het geval is.

Dit is een van de redenen dat ik me heb aangesloten bij de organisatie Vrouw en Universiteit. Samen startten we onder andere een website SSIRS – Sharing Stories of Institutional Racism and Sexism (die vroeger SASSY heette). We hadden allemaal academisch seksisme gezien, gehoord of ervaren en waren klaar met de nalatigheid van de universiteit. We wilden een ruimte creëren waar mensen hun verhalen konden delen.

De universiteit claimt diversiteit na te streven, maar weigert te erkennen dat het huidige academische klimaat toxisch is voor deze ‘diversiteit’.

Ik ben me ervan bewust dat dit niet genoeg is, maar ik hoop dat het kan bijdragen aan de schade die het zwijgen bij zovelen aanricht. Mij helpt het in ieder geval, ook al is het twintig jaar later, om niet meer te zwijgen. Misschien geldt dat ook voor anderen.

En wellicht kan het delen van verhalen helpen de bewijslast te verschuiven naar daders en instituties. Want het wringt: eigenlijk zouden wij onze verhalen niet hoeven delen om intimidatie aan te kaarten. Waarom is het nog steeds nodig dat wij onze trauma’s delen als ‘bewijs’ voor onrechtvaardigheid? Waarom is wetenschappelijk onderzoek naar intimidatie niet voldoende om deze verschuiving van de bewijslast in werking te zetten? Hebben we niet al genoeg geleden, zowel fysiek als emotioneel? Niemand zou zich gedwongen moeten voelen om zijn of haar verhaal te delen.

En waarom overstijgen juridische normen alle andere normen bij deze ongelijke machtsrelaties? Waarom wachten we op voldoende ‘bewijs’ voordat we iemands klacht serieus nemen? Is de universiteit niet een ruimte waar ethiek, professionalisme en pedagogische waarden centraal moeten staan? Een ruimte waar iedereen de mogelijkheid krijgt kennis te verkrijgen en delen – in veiligheid.

De universiteit claimt diversiteit na te streven, maar weigert te erkennen dat het huidige academische klimaat toxisch is voor deze ‘diversiteit’. Onderzoekers hebben immers aangetoond dat deze giftigheid en dit geweld toeneemt in homogene, hiërarchische instituties.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Ik realiseer me nu dat twintig jaar zwijgen bij mij heeft geleid tot een groot wantrouwen in diegenen die de macht hebben in deze elitaire instituten. Want nog steeds is er een ernstig probleem van structureel seksisme en racisme in academische instellingen. Nog steeds ben ik, en zijn zo veel anderen, gedwongen te zwijgen. Zelfs nu ik een vaste aanstelling heb, betekent mijn toewijding dat ik de academische wereld vaak als een toxische en gewelddadige ruimte ervaar.

Zelfs met mijn academische titel, waarvan ik ooit dacht dat het me ‘institutionele macht’ zou geven, bots ik op mijn voortdurende machteloosheid om mijn studenten en medewerkers een werkelijk gastvrije en veilige ruimte te bieden. Het heeft me mezelf doen beloven om, uit principe, altijd diegenen te steunen die nog niet veilig zijn en hen uit te nodigen hun kennis te delen. Het is een manier voor mij om vast te houden aan de droom over de beloften van de academische wereld.

De werkelijkheid, of we het hebben over twintig jaar geleden of nu, laat weinig van mijn hoop over – en ook dit gebrek aan hoop is te pijnlijk om in stilte te dragen.

Heb je vragen over of ben je zelf slachtoffer van geweld, misbruik of kindermishandeling? Contacteer dan de gratis hulplijn 1712.be (via telefoon, mail of chat).

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3081   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • politiek filosofe

    Dr. Anya Topolski, geboren en getogen in Canada, is associate professor in de Politieke Filosofie en Politieke Theorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.