COVID-19 en jongeren op de vlucht

Zomerkamp voor jongeren op de vlucht: ‘Ik kom eindelijk terug in contact met mensen’

© Bert Blondeel

‘Ik kon mijn beste vriendin niet meer knuffelen en niemand meer bezoeken. Het was moeilijk voor mij.’ De COVID-19-pandemie bemoeilijkt(e) het leven voor jongeren op de vlucht. Vluchtelingenwerk Vlaanderen vzw organiseerde voor hen samen met partners Tumult vzw en Cera een zomerkamp. ‘We willen jonge vluchtelingen een stem geven en bouwen mee aan hun netwerk.’

Tijdens het zomerkamp in het kader van project Ananas brachten een veertigtal jongeren tussen de 16 en 25 jaar oud begin augustus een vakantie door aan zee. ‘Ananas komt van “ana” en “nas”, of samengetrokken “Ik ben de mensen” in het Arabisch’, weet Anne De Bock, projectmedewerker Jongeren op de Vlucht bij Vluchtelingenwerk Vlaanderen vzw. ‘Een ananas is een vrucht die groeit in moeilijke omstandigheden. Ze heeft weinig water nodig.’ Die groei is wat het project van Vluchtelingenwerk Vlaanderen, Tumult vzw en Cera wil bereiken met de jongeren.

‘We merkten tijdens de eerste coronagolf dat veel jongeren niets hadden om naar uit de kijken.’

De Bock maakt ons meteen duidelijk dat we in de buitenlucht moeten blijven, met het mondmasker op. ‘Op dit moment zijn er in België 1786 niet-begeleide minderjarige vluchtelingen’, zegt De Bock. ‘Op ons kamp zijn er jongeren die in België verblijven zonder familie, en jongeren die wél naar ons land zijn gekomen met hun familie. Voor de meeste jongeren op de vlucht is de zomervakantie niet zo’n fijne periode. We merkten tijdens de eerste coronagolf ook dat veel jongeren niets hadden om naar uit te kijken’, zegt De Bock.

‘Daarom organiseerden we een zomerkamp, opdat ze dit jaar toch nog een fijne tijd beleven. We wilden ook nog andere activiteiten organiseren deze zomer, maar die konden spijtig genoeg niet doorgaan door de opflakkering van het virus. Een meisje op het kamp vertelde dat ze zich voor de eerste keer niet alleen voelde. Net zoals veel jongeren op de vlucht had ze het gevoel dat ze met niemand over haar situatie kon praten.’

Eenzaam in de opvang

‘De sociaal assistent in het opvangcentrum vertelde me dat de gesprekken voor internationale bescherming werden uitgesteld,’ vertelt de 23-jarige Wesam* uit Palestina. ‘Ik was teleurgesteld toen ik het nieuws hoorde. Ik wacht al een jaar op de beslissing of ik in België mag blijven of niet.’

‘Op een dag kwam een vriend langs op mijn kamer in het opvangcentrum. Een tijdje later werd hij positief getest. Ik moest toen verplicht twee weken in quarantaine’, zegt hij. ‘Ik kon niet meer naar de Nederlandse les en ik raakte ook mijn job als leverancier kwijt.’

‘Ik verveelde me’, zucht Wesam. ‘Er waren geen activiteiten meer in het opvangcentrum. We mochten ook niet meer voetballen. De sociaal assistenten vonden het te gevaarlijk.’

‘Op dit kamp kom ik eindelijk terug in contact met mensen na drie weken binnen zitten.’

Gelukkig is daar ondertussen verandering in gekomen. ‘Sinds 4 augustus mag ik terug uit quarantaine. En op dit kamp kom ik eindelijk terug in contact met mensen, na drie weken binnen zitten,’ vertelt Wesam opgelucht. ‘We zwemmen in de zee en we genieten van elkaars gezelschap.’

Dat is voor de twintigjarige Rana* uit Irak de reden om deel te nemen aan het kamp. ‘Eerst wist ik niet zo goed waarom ik zou meedoen. Maar toen bedacht ik me dat ik leuke mensen zou ontmoeten en dat ik mijn Nederlands zo kon verbeteren. Nu is iedereen in mijn opvangcentrum jaloers’, lacht ze.

Tijdens de eerste coronagolf viel alles voor Rana weg. ‘Normaal gezien ga ik elke dag fitnessen. Ik kon mijn beste vriendin niet meer knuffelen en niemand meer bezoeken. Het was moeilijk voor mij.’

© Bert Blondeel

Rana kwam twee jaar geleden aan in België met haar familie. Momenteel leeft ze alleen in een ander opvangcentrum. ‘Ik ben weggelopen van mijn familie omdat zij de traditionele normen te strikt volgen’, laat ze vallen over haar situatie. ‘Ze willen niet dat ik met jongens omga. Ik leef nu in België. Hier is het normaal om op school of jouw werk om te gaan met mensen van een ander geslacht. Ik maakte veel ruzie met mijn ouders en ik voelde me niet meer veilig.’

Niet enkel zon, zee en strand zijn belangrijk op het kamp. ‘Wij bouwen aan een netwerk. Zo kennen de jongeren al mensen waarbij ze terechtkunnen als ze hulp nodig hebben’, duidt De Bock. ‘We werken met begeleiders die zelf ook gevlucht zijn. We vinden het belangrijk dat de jongeren een rolmodel hebben waar ze zich aan kunnen spiegelen.’

‘Er wordt vaak over vluchtelingen gesproken en maar weinig met henzelf.’

‘We proberen jongeren op de vlucht een stem te geven. Er wordt vaak over vluchtelingen gesproken en maar weinig mét hen’, meldt Anne De Bock. ‘We gaan in dialoog met media, beleid en de jongeren zelf. We hebben bijvoorbeeld al de Vlaams minister van Jeugd Benjamin Dalle (CD&V) ontmoet’, zegt De Bock. ‘Dit najaar zullen we die dialoog verderzetten.’

Hoop heeft twee dochters

© Bert Blondeel

Een van de begeleiders is Wali Sediqi (23). Op dertienjarige leeftijd kwam hij in België terecht na een lange tocht naar Europa vanuit Afghanistan. ‘Ken jij het gezegde dat hoop twee dochters heeft?’, vraagt hij. ‘Woede omdat je je land hebt moeten verlaten. Moed omdat je je een mooie toekomst kunt inbeelden en dat je de situatie kan veranderen.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
‘Een gouden begeleiding is veel waard,’ zegt Sediqi. ‘Onderweg heb je mensen ontmoet die je niet altijd kunt vertrouwen. En aangekomen is het niet gemakkelijk om je weg te vinden. Je moet geluk hebben om de juiste mensen tegen te komen.’

‘Nu begeleid ik nieuwkomers met het opstarten van een eigen onderneming. Ik heb in dezelfde situatie gezeten als de jongeren. Maar ik kan hen helpen en ik kan aantonen dat het mogelijk is je dromen waar te maken’, glimlacht Sediqi.

Mona Salman uit Irak zorgt ervoor dat alle jongeren op het kamp genoeg water drinken bij deze hoge temperaturen. Als stagiair-begeleidster kan ze haar ervaringen als vluchteling inzetten. Volgend jaar begint ze aan het laatste jaar van een studie maatschappelijk werk. ‘Dit jaar liep ik stage bij Fedasil. Toen het coronavirus ook in Europa een bedreiging vormde, moest ik daar verplicht stoppen van mijn hogeschool. De kans om besmet te worden was te groot bij het werken met vluchtelingen.’

Ze contacteerde Vluchtelingenwerk Vlaanderen en haalt haar resterende stage-uren nu bij hen in. ‘Ze stelden mij het zomerkamp voor. Nu kan ik mijn laatste jaar starten zonder vertraging op te lopen’, vertelt zij enthousiast.

‘Ik hoop in de toekomst vluchtelingen te kunnen helpen.’

Toen zij nog in Irak woonde was Salman journaliste bij een bekende krant. ‘In België kan ik niet aan de slag omdat mijn Nederlands niet goed genoeg is.’ Na twaalf jaar in ons land besloot zij aan haar eigen toekomst te denken. ‘Ik was thuis en zorgde voor mijn dochter. Ik vond het niet noodzakelijk om Nederlands te leren. Ik kon met iedereen vlot communiceren in het Engels.’ Maar nu ziet ze dat anders. ‘Ik hoop in de toekomst vluchtelingen te kunnen helpen’, zegt ze.

*Wesam en Rana zijn schuilnamen. Ze wensten anoniem te getuigen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2771   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift