‘Als de boeren meer tijd op hun plantage doorbrengen, trekken ze misschien minder snel naar het woud’

Hoe Congo zoekt naar een welvaart die zijn kostbare regenwoud intact laat

© Bart Lasuy

Congo wil zich volop op de kaart zetten als een land dat met oplossingen komt voor de klimaatverandering. Maar wil het in die missie slagen, dan zal het land ook moeten luisteren naar de grieven van zijn noodlijdende bevolking. Nuttige eerste stappen worden gezet, maar de weg is nog lang. ‘Het vraagt tijd om menselijke gewoontes te veranderen.’

Het op één na grootste regenwoud van de wereld bevindt zich in het Congobekken. De onmetelijke bossen spelen een aanzienlijke rol in de ecologische balans van onze planeet. Niet alleen omdat ze CO2 uit de lucht halen, maar ook omdat ze een enorm CO2-reservoir zijn. Het is daarom van het hoogste belang dat we alles in het werk stellen om deze groene long van de vernieling te redden.

Maar liefst 70% van het Centraal-Afrikaanse woud ligt in de Democratische Republiek Congo (DRC). Om de ontbossing in het reusachtige Centraal-Afrikaanse land tegen te gaan en herbebossing te stimuleren, zijn verschillende programma’s opgezet.

Het grootste en meest ambitieuze daarvan is ongetwijfeld dat van de Congolese regering en het Central African Forest Initiative (CAFI), een groep internationale donoren onder leiding van Noorwegen. In 2015 sloten de twee een eerste akkoord. Daarin legden ze vast om tussen 2016 en 2021 zo’n 200 miljoen dollar vrij te maken om het verlies van de Congolese wouden tegen te gaan.

‘Toen Félix Tshisekedi aantrad als nieuwe president, kende hij het CAFI niet eens.’

Daar stond een tweesporenbeleid tegenover. Enerzijds wil het CAFI het Congolese beleidskader op vlak van energie, ruimtelijke ordening, landbouw en gezinsplanning zo hervormen dat er minder ontbossing plaatsvindt. ‘Want als je wil dat projecten op het terrein succesvol zijn, is het belangrijk om ook een passend beleidskader tot stand te brengen,’ benadrukt Jules Katubadi, die op de Noorse ambassade in Kinshasa de ontwikkelingen op de voet volgt.

Anderzijds wordt een reeks geïntegreerde projecten op provinciaal niveau uitgerold: Projet Intégré ofwel PIREDD. REDD verwijst daarbij naar ‘Reducing Emissions from Deforestation and Degradation’. REDD is een belangrijk onderdeel van het VN-klimaatverdrag. Kortom, de PIREDD’s zijn dus brede projecten die op allerlei manieren de CO2-emissies willen verminderen die uit ontbossing voortvloeien, in de eerste plaats door ontbossing te voorkomen of te beperken.

‘De combinatie van nationale hervormingen en provinciale projecten vergroot de coherentie van de aanpak’, vindt meester Augustin Mpoy, een advocaat die het specifieke beleid al jaren van dichtbij volgt. ‘Ik stel vast dat het CAFI erin geslaagd is om nieuwe beleidskaders mee tot stand te brengen. De aanpak van het initiatief wordt bovendien steeds meer gedragen door de regering. Toen Félix Tshisekedi aantrad als nieuwe president, kende hij het niet eens. In 2021 tekende hij op de klimaattop van Glasgow persoonlijk een nieuw akkoord met het CAFI.’

Nieuwe wetten

Congo wil zich volop op de kaart zetten als pays solution, een land dat met oplossingen komt voor de klimaatverandering. Een van de belangrijkste verwezenlijkingen noemt Mpoy de nieuwe wet op de ruimtelijke ordening. ‘Vroeger kenden verschillende ministeries dubbele of meervoudige bestemmingen toe voor eenzelfde zone. Die praktijk leidde tot talloze conflicten. Vandaag is dat veel moeilijker.’

De Congolese regering kende dit jaar vergunningen voor olie-exploratie toe in beschermde gebieden.

Daarnaast bepaalt de nieuwe wet dat de lokale bevolking inspraak krijgt. Er wordt rekening gehouden met haar fundamentele rechten, vertelt Mpoy. Als de bevolking niet akkoord gaat met een bepaalde keuze en de staat om redenen van nationaal belang toch wil doorzetten, kan de regering nog altijd onteigenen. Maar het is minder vanzelfsprekend dan vroeger.’

Pierre Guigon, die voor de Wereldbank de ontwikkelingen in Congo al een ruime tijd volgt, ziet nog andere bemoedigende politieke stappen. ‘In 2021 werd een nieuwe wet op het grondbeleid aangenomen. Die verzekert duurzaam grondbeheer en verduidelijkt de landrechten, wat de omzetting van bossen kan beperken.

Ten slotte staat er ook een duurzaam landbouwbeleid in de steigers dat de bescherming van hoogwaardige bossen en duurzame landbouw in de savannes aanmoedigt, weet Guigon.

Het is naïef om te verwachten dat de nieuwe wetten de realiteit op het terrein drastisch veranderen. De regering kende dit jaar nog vergunningen toe voor olie-exploratie in beschermde gebieden – wat wettelijk verboden is. Het roept heel wat vragen op over de geloofwaardigheid van Congo als pays solution.

Toch scheppen de nieuwe wetten alvast nieuwe mogelijkheden. Bovendien kunnen overheden erop aangesproken worden. Toen de Congolese regering bijvoorbeeld een aantal nieuwe kapconcessies toekende die ingingen tegen eerder gemaakte afspraken, stopte het CAFI zijn financiering totdat de regering op haar stappen terugkeerde.

© Bart Lasuy

Tussenstructuren

Om de besteding van de middelen van het CAFI of de Wereldbank in goede banen te leiden, werden er tussenstructuren opgericht. Het Programme des Investissement Forestières (PIF), dat ressorteert onder het ministerie van Milieu, bestempelt zichzelf als de uitvoerder van de projecten van de Wereldbank. Het Fonds National REDD (kortweg FONAREDD), opgezet door het CAFI, is dan weer verbonden aan het ministerie van Financiën.

De ministeries beslissen echter niet alleen over de besteding van de middelen. Ook verschillende internationale actoren zijn daarbij betrokken. ‘Als het PIF of FONAREDD rechtstreeks onder het ministerie zou vallen, zouden er meer middelen verloren gaan. Ambtenaren zijn zo slecht betaald dat de verleiding om een deel van het geld af te romen te groot is’, verduidelijkt Yannick Lwamba, adjunct-directeur van het PIF.

Dat verklaart wellicht voor een stuk waarom een groot deel van de middelen van het CAFI of het PIF effectief op het terrein worden besteed, en daar ook zichtbaar zijn. Dat de Congolese politiek geen totale controle heeft over de besteding van het geld is natuurlijk het gevolg van een akkoord tussen de donoren en de Congolese politici. Een akkoord dat niet in steen is gebeiteld, en altijd kan worden bijgestuurd.

Ambitieuze projecten

Intussen zijn er in negen Congolese provincies PIREDD’s. In feite zijn het heel ambitieuze projecten die de bevolking willen stimuleren om anders om te springen met ’s lands natuurlijke rijkdommen, niet in het minst de wouden. Dat veronderstelt een ruimtelijke planning, duurzamere landbouw en een duurzamer energiebeleid, steun voor gezinsplanning en noem maar op.

De PIREDD’s werken met budgetten die variëren van 10 tot 30 miljoen euro en hebben een looptijd van 3 tot 5 jaar. ‘Dat is te weinig geld, en de duurtijd is te kort. Daarmee kan je het verschil niet maken,’ aldus Victor Kabengele, adjunct-coördinator van FONAREDD.

‘Om de bossen te beschermen, wilden we dat de boeren een andere levenswijze aannamen.’

PIREDD-Plateau, in het westen van de centraal-westelijke provincie Mai-Ndombe, was tussen 2016 en 2020 het allereerste project. De Wereldbank pompte er 14 miljoen dollar in, het Wereldnatuurfonds (WWF) haalde de aanbesteding voor de uitvoering ervan binnen.

De Belg Hicham Daoudi leidde destijds de werkzaamheden. ‘We hebben 214 lokale ontwikkelingscomités opgericht in evenveel dorpen. 133 daarvan hebben een beheersplan voor hun natuurlijke rijkdommen opgesteld. Dat betekent dat we in de eerste plaats in kaart brachten hoe het grondgebied was opgedeeld tussen savannes, bossen, visserijen, jachtgebieden enzovoort.’

‘Om de bossen te beschermen, wilden we dat de boeren een andere levenswijze aannamen, weg van de zwerflandbouw. Maar daarvoor moeten boeren meer verdienen, bijvoorbeeld door voor de markt te produceren. Daarom hebben we meer dan 250 km wegen hersteld en 17 bruggen gebouwd.’

In augustus 2022 bezochten we het PIREDD-Mai-Ndombe, in het westen van Congo. Het project beslaat een oppervlakte van 100.000 km2 (ruim 3 keer de oppervlakte van België) en ontving van het CAFI een budget van 30 miljoen dollar. Fase I van het project begon in mei 2018 en liep tot eind 2021. Op het moment van ons bezoek werd de tweede fase verwacht.

Algemeen projectleider van PIREDD-Mai-Ndombe, Philippe Collas, rapporteert dat het project 480 lokale ontwikkelingscomités (LOC’s) heeft opgestart. Samen beslaan die 37.000 km2. De kritiek van de ngo Rainforest Alliance UK is dat veel van die LOC’s een bescheiden draagvlak hebben onder de bevolking. Het is zonder twijfel een grote uitdaging om in drie jaar tijd de comités in al die dorpen om te turnen tot levende structuren.

‘Een goede verstandhouding tussen de dorpelingen én de bereikbaarheid van een dorp zijn voor ons voorwaarden om een LOC op te richten,’ vertelt John Mokuba, de landbouwkundige die het PIREDD in het territoire Inongo heeft geleid. ‘Bij diepgaande conflicten is het erg moeilijk iets van de grond te krijgen.’

© Bart Lasuy

‘‘Houtskoolplantages’’

In het territoire Kutu, dat voor 40% uit savanne bestaat, heeft het project 2000 hectare herbebost en 1600 hectare palmbomen geplant. De herbebossing neemt de vorm aan van snelgroeiende acacia’s, waarbij tussen de bomenrijen maniok wordt geplant. Het is intussen een beproefde combinatie, omdat de acacia’s stikstof in de grond brengen, wat de maniok beter doet groeien.

Het voordeel van die boslandbouw is dat het de bevolking al meteen een eerste maniokoogst oplevert. Een tweede oogst komt er meestal niet, omdat de bomen dan al te groot zijn. Na zeven jaar kan de acacia gekapt worden en kan er houtskool van worden gemaakt. Daarna krijg je nieuwe acaciascheuten en kan de cirkel herbeginnen.

Op die manier worden grotendeels kale savannes gebruikt om houtskool (en voedsel) te produceren. Zo kan een deel van het woud gevrijwaard blijven. ‘Het werkt goed hier, in Kutu. Iedereen heeft zijn eigen stukje plantage. Daarom zorgen de mensen er beter voor,’ zegt Jean-Claude Muwo, die het project leidt in het territoire Kutu. Hij is verder ook enthousiast over de nieuwe oliepers die in het dorp Isaka is geïnstalleerd om palmnoten te persen. ‘Veel boeren hebben een kwart hectare palmbomen. Dat levert hen 700 dollar per jaar aan palmolie op.’

Dat de plantages niet zomaar blijven staan, wordt duidelijk als we naar Bopako rijden. Het dorp maakte deel uit van het PIREDD-Plateau. De vijf acaciaplantages zijn stuk voor stuk afgebrand, inclusief de bijenkorven.

‘Er is geen onderhoud: geen brandgangen, geen verwijdering van de droge grassen enzovoort,’ antwoordt Muwo als we hem vragen naar de voornaamste redenen voor de vernietiging. ‘Bovendien ging het om collectieve plantages die van iedereen en dus van niemand waren. Dat bemoeilijkte het onderhoud.’

De verdere uitbouw van plantages van acacia en maniok kan de druk van de grote bevolkingscentra op de wouden verlagen.

Daar komt nog bij dat de financiering in 2020 stopte, waardoor het project al bijna twee jaar zonder begeleiding is. ‘Het duurt zeven jaar voordat je houtskool kunt ‘‘oogsten’’. Een project dat amper vier jaar duurt, laat de boeren aan hun lot over. Dat is geen goede aanpak,’ aldus Muwo.

Franz, die destijds het project in Bopako begeleidde, becijfert dat de vijf plantages bij elkaar een investering van 20.000 euro vergden. Die is dus letterlijk in rook opgegaan.

In Kongo-Central, het voormalige Bas-Congo, bezoeken we kleine boeren die met succes aan de slag gingen met plantages van acacia en maniok. ‘Voor boslandbouw op kleine schaal hadden we in Kongo-Central 5000 hectare voorzien. Het werd uiteindelijk 7600 hectare,’ zegt Yannick Lwamba van het PIF.

De reden is dat de nabijheid van de Congolese hoofdstad Kinshasa voor een hoge houtskoolprijs zorgt. Zo hoog zelfs, dat de boeren van het dorp Buense, mede dankzij de begeleiding van de lokale ngo CEDEF, een coöperatie hebben opgericht die met de gezamenlijke opbrengsten onder meer een maniokmolen en een vrachtwagen kocht.

Houtskool zal in Congo ongetwijfeld een heel belangrijke energiebron blijven. Daarom kan de verdere uitbouw van plantages van acacia en maniok de druk van de grote bevolkingscentra op de wouden effectief verlagen. Ook daarom bereidt de Wereldbank projecten voor die de grote bevolkingscentra in Congo met duurzamere houtskool moeten bevoorraden.

Philippe Collas is ervan overtuigd dat je vooral in de savannes het verschil kan maken. ‘Daar kan je massa creëren, dat heb ik ook in Madagascar gezien. In het woud is het veel moeilijker,’ stelt hij. En dus worden er in de meer beboste gebieden andere pistes bewandeld.

© Bart Lasuy

Projecten op lange termijn

Ten noorden van het donkere meer van Mai-Ndombe (letterlijk ‘zwart water’) bezoeken we het dorp Isanga, in het territoire van Inongo. Daar probeert men de gebieden die inmiddels voor landbouw zijn ontbost, te verrijken met bijkomende teelten, zoals cacao en verbeterde palmbomen en maniokvariëteiten.

‘De wieg van de Congolese productie van cacao en palmolie stond in Mai-Ndombe, de regio is er uiterst geschikt voor,’ zegt agronoom John Mokuba, die PIREDD-Mai-Ndombe in Inongo leidt. ‘Door de boeren te helpen bij het opstarten en uitbouwen van de teelt, hopen we de opbrengst van de bestaande velden te vergroten. Op die manieren willen we ook de noodzaak om nieuw bos te kappen verminderen.’

In Isanga lopen we langs bij de cacaoplantage van Bolaseke Zeno, de voorzitter van het lokale ontwikkelingscomité. De cacaobomen staan in de schaduw van grote bomen en lijken net zoals de bananenbomen in het aangename lommer prima te gedijen. De tien hectare cacao die in het dorp zijn geplant, met een maximum van een halve hectare per boer, zouden volgend jaar al 15.000 dollar kunnen opleveren. Dat is veel hier, diep in het binnenland.

‘De hoop is dat mensen minder naar het woud kunnen trekken omdat ze veel meer tijd op hun plantage doorbrengen.’

De palmbomen, die ook goed combineerbaar zijn met een gedeeltelijke boombedekking, zullen nog meer opleveren. Er wordt ook gecombineerd met een nieuwe variëteit van maniok. ‘Veel dorpelingen twijfelden aanvankelijk. De plantage vergt heel wat werk en brengt niet meteen geld op. Het duurt twee à drie jaar,’ aldus Zeno.

Het project vergroot die motivatie, doordat het mensen ook vergoedt om de kleine cacao-en palmolieplantages op te zetten. De paiements pour services ecologiques (PSE) – betalingen voor ecologische diensten, zeg maar – zijn de smeerolie van de PIREDD’s. Ze geven de bevolking het snelst een extra inkomen. ‘Die vergoedingen hebben me geholpen om mijn huwelijksschulden af te betalen,’ getuigt een deelnemer aan het project.

Als we in het kleine centrum even uitblazen, troept het dorp samen om met ons te praten. Het aanvankelijke wantrouwen is weggeëbd. Vele anderen zouden nu ook graag meedoen en hopen in aanmerking te komen voor de tweede fase van het project.

Een echt verbod op het kappen van bos is er niet in Isanga, benadrukt Mokuba: ‘De hoop is dat mensen minder naar het woud kunnen trekken omdat ze veel meer tijd op hun plantage doorbrengen.’ Er zijn dus wel dingen gerealiseerd. Tegelijk blijft het voor veel mensen een grote stap om af te wijken van het gewone patroon en zoveel werk te besteden aan de uitbouw van een cacaoplantage.

‘Het gaat over interventies op kleine oppervlaktes die erg verspreid liggen over het immense grondgebied,’ verzucht Collas. ‘Soms denk ik dat we in de woudzones beter aan de mensen zouden vragen om te verhuizen.’ René Ngongo, een ancien van de groene beweging in Congo, herkent het probleem. Toch benadrukt hij dat ‘het nu eenmaal tijd vraagt om menselijke gewoonten te veranderen. Projecten moeten op lange termijn werken.’

Als we een blik werpen op het overzicht van de 14,5 miljoen dollar aan bestedingen van Fase I van het project, valt ons iets op. Nog niet de helft van de begrote 4 miljoen aan PSE is gerealiseerd. Voor het functioneren en bureaus van het project zelf zijn de begrote bedragen wél ruim overschreden (2,5 miljoen in plaats van 1,6 miljoen). Het wekt de indruk dat de mensen die het project moeten uitvoeren vooral zichzelf niet vergeten zijn.

© Bart Lasuy

 

Een stuk bos beschermen

Via het meer van Mai-Ndombe en een netwerk van rivieren varen we naar het territoire Kiri. Dat bestaat nog voor meer dan 60% uit woud. Ook hier probeert men de boeren een extra inkomen te verschaffen, onder meer met cacaobomen, palmbomen, bijenteelt of visdrogerijen. Op die manier hoopt men de noodzaak om bos te kappen terug te dringen.

De projectleider voor Kiri, Macsance Moyiba, vertelt dat de bewoners in de bosrijke dorpen een vergoeding krijgen als ze een deel van het bos beschermen. ‘In die bossen mogen ze niet kappen en geen commerciële jacht of visvangst uitoefenen. In ruil daarvoor betalen we hen 2,5 dollar per hectare beschermd bos. In het dorp Molele kozen ze ervoor om 500 hectare te beschermen. Dat levert hen 1250 dollar op. Veel geld, zo diep in het bos’.

’s Anderendaags zetten we koers naar Molele. De weg is alleen nog bruikbaar voor fietsen en bromfietsen, overal is er bos. Ondanks het droogseizoen heeft het hier al veel geregend. Als we in Molele aankomen, wacht een groot deel van de mannen van het dorp ons op. Later zal blijken dat ze ervoor werden betaald.

Ook in Molele nemen de bewoners, na aanvankelijke achterdocht, gretig deel aan de aanleg van cacao- en palmboomvelden. Ze verdienen geld met het werk zelf, en later met de oogst. Net zoals in Isanga, willen steeds meer mensen meedoen aan de tweede fase.

‘Als ik hier nu sta, in mijn huidige toestand, dank ik dat aan PIREDD.’

Toch merkt een van de telers op dat hij al maandenlang niemand van het project heeft gezien. ‘Ik ken weinig van palmbomen en heb hun expertise nodig om te weten of ze het goed stellen’, zegt hij. De reden is dat de eerste fase van het project is afgelopen. Men wacht op het geld voor de tweede fase.

Het geeft aan dat kortstondige projecten hier zinloos zijn: het vergt tijd om mensen mee te krijgen in je verhaal. Wie denkt in drie jaar tijd veel te bereiken, begint er beter niet aan.

Nzongelo Botio, de voorzitter van het lokaal ontwikkelingscomité, vertelt hoe de beschermde bossen 1250 dollar hebben opgeleverd. Dat bedrag werd gebruikt om de plaatselijke school wat te fatsoeneren, met onder meer de aankoop van borden.

Dat het project intussen aantrekkelijk is, blijkt als we een bezoek brengen aan de gemeenschap van pygmeeën. Tsomia Mputu getuigt hoe hij met het geld dat hij verdiende in de boomkwekerij de bruidsschat voor zijn vrouw kon betalen en een fiets kon kopen. ‘Als ik hier nu sta, in mijn huidige toestand, dank ik dat aan PIREDD.’

Even later wordt de sfeer behoorlijk verhit, een symptoom van de diepliggende spanningen tussen de bantoes en pygmeeën. Het project stuit op hevige kritiek. Het zou de bantoes voortrekken. De peuples autochtones – in de projecttaal dikwijls omschreven als ‘p.a.’ – of inheemse volkeren zouden minder ecologische diensten mogen verrichten en minder plantages mogen opstarten.

Nzongelo Botio, de voorzitter van het ontwikkelingscomité, zegt dat er aanvankelijk meer leden van de inheemse gemeenschap meewerkten. Maar toen die de boompjes niet op regelmatig basis water gaven, werden ze vervangen door bantoes.

Met motorfietsen rijden we tien kilometer dieper het woud in. Vervolgens is het nog twee uur wandelen naar het beschermde bos. We volgen onze gidsen, die blootsvoets of met plastic pantoffeltjes heel soepel door het woud schrijden. De fotograaf en ik proberen zuchtend en zwetend te volgen. Plots zien we omgevallen paaltjes met een vage, rode kleur. Ze geven aan dat we het beschermde gebied hebben bereikt. Op enkele grote bomen is ooit wel wat rode kleur aangebracht, maar ook die is al danig vervaagd.

Het mag duidelijk zijn: het project weet mensen te verenigen om de kaalpluk van de bossen tegen te gaan. Alleen is de praktische uitvoering kennelijk nog voor verbetering vatbaar. Wellicht is het ook een goed idee om boswachters te betrekken bij de bewaking van het bos. Maar dat betekent dat er meer geïnvesteerd moet worden.

© Bart Lasuy

Ecologisch ontwikkelingspad

Het loont nochtans. Want PIREDD-Mai-Ndombe helpt om koolstofemissies te voorkomen en CO2 op te slaan. Hoeveel dat precies is, wordt op het niveau van het project berekend, vertelt Assani Ongala, de nationale REDD-coördinator van Congo.

‘Op basis van ons onderzoek, dat de universiteit van Maryland heeft overgedaan, kwamen we tot een CO2-voorraad van 32 miljoen ton. Voor het jaar 2019-2020 kwam daar volgens onze berekeningen 6 miljoen ton CO2 bij. Een onafhankelijke expert moet onze bevindingen nog bevestigen.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Afhankelijk van hoe succesvol het project is, kan er nog veel (of weinig) ton bij komen. De Wereldbank heeft al toegezegd 11 miljoen ton te zullen aankopen. ‘Contractueel was eerst twee dollar per ton afgesproken, maar omdat de marktprijzen stegen, heeft de Wereldbank haar prijs opgetrokken tot 5 dollar per ton.’

78,5% van de opbrengsten gaat naar de ondersteuning van de PIREDD’s.

Het zou dan gaan om 55 miljoen dollar in totaal. De rest van de koolstofkredieten kan dan worden verkocht op de vrije markt.

‘Wat ze daar opbrengen is onzeker. De grote private concessie van World Wildlife Carbon, goed voor 3000 km2, heeft al 17 dollar per ton weten te verkrijgen op die vrije markt,’ aldus Ongala. ‘Het kan dus stevige bedragen opleveren.’

Intussen is er al onderhandeld over de verdeling van de financiële opbrengsten. 4% daarvan is niet-prestatiegebonden en gaat sowieso naar de autochtone en lokale gemeenschappen voor hun historische verdienste in het behoud van het woud. 17,5% gaat naar het enige grote private project: de conservatieconcessie van 3000 km2 van World Wildlife Carbon, dat werkt met de lokale gemeenschappen om koolstofemissies te voorkomen.

De overige 78,5% gaat naar de verdere ondersteuning van de PIREDD’s en naar het realiseren van een ecologisch ontwikkelingspad. Het geld zal opnieuw worden besteed via een complexe beheersstructuur op het niveau van de provincie. Of en hoe dat zal werken, is nu nog niet duidelijk. Het blijft een moeilijke maar cruciale opdracht om de middelen effectief op het terrein te krijgen en te verdelen op een manier die de steun heeft van de bevolking.

​​Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.

 

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3306   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur