Chinese arbeidsters: de schreeuw van Yan

Honderdduizenden jonge arbeidsters maken werkdag na lange werkdag het economisch mirakel van China mogelijk. Hun productiviteit wordt wel gemeten, maar hun menselijkheid wordt vaak vergeten. De Hongkongse antropologe Pun Ngai deelde enkele jaren geleden de fabriekshallen en de slaapzalen met deze dagongmei. Ze schreef die ervaring uit in unieke artikels, waarin ze haar academische achtergrond combineert met een diepgaande betrokkenheid bij haar vroegere mede-arbeidsters. MO* mocht een van die artikels bewerken tot onderstaand essay.
Een schreeuw snijdt de duisternis van de nacht open. Het is, zoals gewoonlijk, in de laatste uren van de nacht, rond vier uur. Yan heeft weer dezelfde nachtmerrie en vervalt weer in krijsen. Ik schrik wakker van haar spookachtige stem en hoor die wegsterven, waarna de diepe stilte van de nacht weer heerst in de kamer.
Yan schreeuwt al een maand lang, elke nacht. ‘Ik vind het heel erg als er over mijn schreeuwen geroddeld wordt’, zegt ze. ‘Ik heb zelf geen idee wat me dan overkomt. Zodra ik wakker word, verdwijnt het en slaap ik opnieuw in. Maar elke nacht heb ik dezelfde droom. Ik droom dat ik in de richting van een pier stap en dat ik op het punt sta een veerboot te nemen om een rivier over te steken. De rivier scheidt twee dorpen en de veerboot is de enige manier om van het ene dorp naar het andere te geraken. Ik zie dat de boot klaar is om te vertrekken en ik haast me. Maar dan stel ik vast dat mijn lichaam niet kan bewegen, het doet te veel pijn, het is te moe om te bewegen. Ik geraak in paniek omdat de boot vertrekt. Ik blijf achter en de lucht wordt donker. Het is avond. En ik kan nergens naartoe.’
Yan deelt een kamertje van drie op drie met zeven andere dagongmei, “werkende dochters” zoals de arbeidsters in China genoemd worden. Ze zijn allemaal zo uitgeput dat ze, meteen nadat ze opgeschrikt worden door de schreeuw van Yan, opnieuw in slaap vallen. Ik hoor een diepe zucht van Ping, die in het bed boven Yan slaapt, en het knarsetanden van Bin, die naast mij ligt.
‘Het schreeuwen is begonnen toen we vorige maand drie dagen na elkaar moesten overwerken tot halftwaalf ‘s nachts. Die zondagochtend moesten we ook verhuizen naar een nieuwe slaapzaal. Ik was volledig uitgeput en mijn lijf deed overal pijn, het leek wel of het mijn lijf niet meer was. Ik had geen controle meer over de pijn en kon haar niet stoppen. Toen al mijn kamergenotes de stad in gingen om te shoppen, heb ik uitgehuild, zo luid dat ik het zelf niet kon geloven. Ik was geschokt door het geluid. Sindsdien keren die droom en die schreeuw elke nacht weer. Ze herhalen en herhalen zich.’
‘Ik heb een knagende pijn in mijn rug’, zegt Yan. ‘Ik heb er echt vaak last van. Die rugpijn ontstond nadat ik hier een paar maanden werkte. Ik heb meer geluk dan de meisjes die aan de lopende band werken, die zitten dag en nacht aan de band. Ik zit te typen, maak opnames en zorg voor de boekhouding in het Productie Departement. Soms kan ik eens rondlopen en een pauze nemen, of zelfs een glas water drinken. En toch lijd ik aan die rugpijn, ik weet niet waarom. Vaak is het mijn rug, soms kruipt de pijn tot in mijn nek.’
Yan werkt als klerk in de productie-afdeling van Meteor Electronic Company Ltd. -Meteor voor vrienden. De fabriek is eigendom van Hongkongse kapitalisten en is gevestigd in de Speciale Economische Zone van Shenzhen, vlakbij Hongkong. Ze is heel dubbel over haar rugpijn. Soms wijdt ze haar pijn aan de evidente zware werklast en de stress, maar op andere momenten mompelt ze dat ze, op vierentwintigjarige leeftijd, te oud is voor fabrieksarbeid. Ze vindt dat ze niet langer de energie heeft om twaalf uur per dag te zwoegen. De gemiddelde leeftijd van de arbeidsters in het bedrijf is 20,2 jaar en de meeste meisjes aan de lopende band zijn nog veel jonger, tussen 16 en 18 jaar. “Ouderdom” verwijst in deze context naar een lichaam dat te zwak geworden is om de industriële arbeid te verdragen. De meeste dagongmei gaan ervan uit dat hun gezondheid achteruit zal gaan als ze langer dan drie jaar in de fabriek werken. De elektronica-industrie is berucht om haar gebruik van giftige chemicaliën die de gezondheid van de arbeidsters schaden. Hoofdpijn, keelpijn, griep en hoesten, maagproblemen, rugpijn, misselijkheid, oogproblemen, duizeligheid, verzwakking en toegenomen menstruatiepijnen zijn vaak voorkomende, chronische klachten bij de arbeidsters.
Hoezeer de rugklachten van Yan ook te maken hebben met haar concrete werk bij Meteor, toch vertelt dat niet het hele verhaal. Door te verwijzen naar haar leeftijd geeft Yan aan dat ze niet alleen een fysiek probleem heeft, maar dat ze ook lijdt onder veel subtielere, culturele druk. In de rurale omgeving waaruit Yan komt, krijgt leeftijd heel specifieke betekenissen voor mannen en vrouwen. Yan groeide op in Hunan, de provincie waaruit ook Mao Zedong afkomstig was. Haar geboortedorp was een van de armste gemeenten uit de regio, maar haar eigen familie was niet verarmd aangezien haar beide ouders als officiële kaders werkten in het gemeentebestuur. Na haar middelbaar deed ze tweemaal tevergeefs een ingangsexamen om naar de universiteit te gaan.
Op negentienjarige leeftijd stuurden haar ouders haar naar een éénjaarsopleiding boekhouding in Guangzhou, het vroegere Kanton en de hoofdstad van de provincie Guangdong waarin ook Shenzhen ligt. Ze keerde daarna terug om te werken in een bosbouwbedrijf, maar kon niet meer aarden in het kleine dorp, de kloof met de materiële levensstijl in de grootstad was te groot. Ze was zich ook bewust van het feit dat elke arbeider in Guangdong meer verdient dan haar loon als een kaderlid in Hunan. Yan ziet zichzelf zeker niet als een ambitieus meisje, maar toen ze de kans had om met haar zuster mee te verhuizen naar Dongguan, een andere Speciale Economische Zone in de provincie Guangdong, greep ze die kans. Ze woonde in bij haar zuster en haar zwager, en ze had een goedbetaalde baan met grote verantwoordelijkheden in een Hongkongs bedrijf. Maar dan ontstond de relatie met haar baas, een veertiger uit Hongkong.
‘Hij was zo aardig voor me, als een oom. Hij leerde me zo veel’, vertelt Yan op een avond, als we terugkeren van een bezoekje aan een boekenwinkel. ‘Maar hij had een gezin in Hongkong: een vrouw, zonen, een dochter. Hij wou mij als minnares en beloofde me een appartement als ik bij hem zou blijven. Heel wat meisjes tegenwoordig doen er alles aan om zo’n relatie te vinden, zij geven niet om de lage status die ermee samenhangt. Maar het maakte mij angstig. Ik had schrik dat ik de controle over de gebeurtenissen zou verliezen, waardoor mijn hele leven getekend zou worden.’ Yan weigerde de relatie en verliet het bedrijf.
‘Soms mis ik hem wel’, antwoordt ze glimlachend op de vraag of ze spijt heeft van die beslissing. Ik denk dat ze echt seksueel tot elkaar aangetrokken waren en dat er meer meespeelde in haar weigering dan alleen ethische overwegingen. De nabijheid van haar oudere zus, het feit dat haar ouders overheidskaders waren, de onzekerheid van een relatie met een getrouwde man en haar eigen, betrekkelijk hoge scholingsgraad waren zeker elementen in haar beslissing om haar verlangen te onderdrukken. ‘Ik ben arm, maar niet gulzig’,
‘Ik ben arm, maar niet hebberig’, herhaalt ze voortdurend. Ze beschouwde haar liefde zelf niet als illegaal of immoreel, maar de schrik om voor mian zi -schaamteloos- versleten te worden, gaf de doorslag. Mian zi is immers een begrip dat niet alleen iets zegt over een vrouw die een “verwerpelijke” relatie aangaat, het werpt ook een schaduw op het hele netwerk van familie- en dorpsrelaties rond die vrouw.
‘Toen ik ontslag nam, had ik niet meteen een idee wat ik zou gaan doen: een nieuwe baan zoeken of terugkeren naar huis. Ik miste mijn geboortedorp zo erg dat ik er ernstig over dacht terug te keren. Maar dan ontdekte ik dat ik eigenlijk geen keuze had. Bij de verhuis naar Dongguan was mijn hukou ook verhuisd en dus kon ik thuis geen werk meer vinden.’ De hukou is de geboorteplaats van iemand, waaraan hij of zij in principe voor de rest van het leven gebonden is voor werk, gezondheidszorg en onderwijs. Het was in de jaren van Mao’s opbouw van een socialistische staat een mechanisme dat zowel zorgde voor een volledige controle van de bevolking als voor een effectief systeem van zorg en verdeling.
‘Ik kon nergens meer naartoe’, realiseerde Yan zich. Met een schok besefte ze dat haar leven in een overgangsfase beland was die nooit meer zou overgaan. Ze kon niet meer terug. Ze was de controle over haar leven kwijt. Vaak vertelt ze dat ze het gevoel heeft van hier naar daar te zwalpen. Ze heeft haar liefde voor een man verdrongen omdat ze schrik had de controle over haar toekomst te verliezen, en nu stelt ze vast dat die beslissing juist het gevreesde resultaat heeft. Yan realiseert zich iets dat ze niet kan aanvaarden, en dat besef resulteert zowel in pijn als verzet.
ziet haar droom en haar schreeuw als een oncontroleerbare kwade kracht die geboren wordt uit haar lichaam. Ze denkt dat ze aan xin-bing lijdt, hartepijn. ‘Er moet iets fout zijn binnen in mij. Ik ben ziek, en daarom droom ik en schreeuw ik.’ Haar innerlijke ziekte is niet te scheiden van het lichamelijke en het sociale. Droom en schreeuw werden een teken van zowel haar lichamelijke onevenwicht als van de kosmische verstoring in haar leven. Het kwade, zoals ze dat zelf ziet, is een externe kracht die haar domineert, maar die wel uit haar eigen lichaam voortkomt. De snelle maatschappelijke veranderingen waarvan Yan deel uitmaakt, ontsnappen aan haar controle.
‘Ik weet dat ik geen keuze meer heb’, zegt Yan. ‘Als ik door straten van deze grootstad slenter dan weet ik dat dit niet mijn plek is, ze behoort mij niet toe. Toch moet ik blijven. Ik zie hoe mensen vanalles verkopen langs de staten en ik vraag me af of mijn leven ook zo zal eindigen.’
vond Yan een nieuwe baan bij Meteor in Shenzhen. Als eenvoudige klerk heeft ze veel minder aanzien en een lager loon dan in Dongguan. Bovendien moet ze nu met andere arbeidsters een slaapzaaltje delen. Ze staat er alleen voor, zonder oudere zus, zonder ouders, zonder dorp.
‘In Dongguan kende ik bijna ieders loon. Ik wist dat de bazen heel veel verdienen, terwijl de werkers met een mager salaris genoegen moeten nemen. Ik wist dat een lunch van de bedrijfsleider meer kost dan het maandloon van een arbeidster. Ook onder arbeiders zijn er behoorlijk grote verschillen: sommigen verdienen drie tot viermaal meer dan anderen. Maar ik zag dat allemaal niet als uitbuiting, ik stelde er geen vragen bij. Ik aanvaardde het als het lot.’
De bruuske veranderingen in haar leven hebben Yan veel meer bewust gemaakt van haar ruilwaarde op de arbeidsmarkt. Dat besef wordt breed gedeeld door de mensen die van het platteland naar de fabrieken migreerden. Niet toevallig wordt de term mai shen, voor vrouwen die hun lichaam verkopen aan de mannen, ook gebruikt voor mensen die hun arbeid verkopen aan kapitalisten. Yan: ‘Vroeger controleerde ik mensen, nu sta ik onder de controle van anderen. In de ogen van de bedrijfsleiders zijn arbeiders spullen die gedumpt kunnen worden als het hen uitkomt.’
Met haar vierentwintig jaar zit Yan tegen de grens van het toelaatbare aan wat betreft de vrijheid om alleen te leven. In haar landelijke omgeving is celibaat geen aanvaardbare optie en is het huwelijk nog altijd het belangrijkste moment in het leven van een vrouw. De meeste vrouwen van Yans leeftijd keren terug naar huis -uit eigen wil of op aandringen van hun ouders. Het is voor hen wel mogelijk om zich tegen die gang van zaken te verzetten, maar dat betekent wel dat ze vanaf dat moment helemaal op eigen benen moeten staan. De familie is het immers oneens met hun keuze en voelt er zich beledigd door. Arbeidsters worden altijd heen en weer getrokken tussen de verwachtingen van de familie en de eisen van de industrie, tussen de druk om te trouwen en de verleidingen van het stadsleven.
is zonder meer duidelijk dat de kapitalistische machine gebruik maakt van die persoonlijke conflicten en culturele verwachtingen. Op hun tweeëntwintig of drieëntwintig jaar, als de meeste arbeidsters de fabriek achter zich laten, hebben de meisjes hun beste energie al gegeven aan het bedrijf. Sommigen beginnen immers al te werken op hun zestiende. Acht jaar lang slopende arbeidsdagen maken tot twaalf uren per dag resulteert voor veel meisjes in volledige uitputting. Voor hen is het dan ook de hoogste tijd om hun arbeid elders verder te zetten door zonen te krijgen. Op die manier spannen het fabriekssysteem, het overheidsbeleid en de familiale druk samen om de levens van deze plattelandsmeisjes naar hun hand te zetten.
Yan denkt er wel eens over om alleen te blijven, maar ze vreest tegelijk dat ze zo kostbare tijd verspeelt. ‘Ik weet echt niet hoeveel jaren ik kan blijven werken met dit uitgeputte lichaam. En zelfs als mijn gezondheid het zou aankunnen, dan nog denk ik niet dat het bedrijf een oude vrouw in dienst wil hebben.’ Ze wordt zelf stil bij de gedachte. Het sociale systeem van de hukou beperkte haar mobiliteit, de kapitalistische machine zoog haar jeugd en energie uit haar leven en de patriarchale traditie leverde de ultieme bijdrage om haar in een diepe impasse te doen belanden. Deze drievoudige onderdrukking helpt me de droom en de schreeuw van Yan beter te begrijpen.
industriële leven waarvoor Yan koos, levert haar enkel een afgetakeld lichaam op. Seksuele verlangens en culturele druk stresseren haar. De culturele eis om te trouwen en de staatscontrole op haar mobiliteit nagelen haar vast en laten haar geen enkele mogelijkheid om vooruit of achteruit te gaan. Yan realiseerde zich al die druk plots en in een nieuwe situatie. Ze herstelt haar lichamelijke samenhang door haar strijd -en tegelijk haar pijn- te verschuiven naar haar droom. ‘Soms lijkt de scène in de droom heel bekend, ik moet daar ooit al eens geweest zijn. Het is als een roep om naar huis terug te keren. Ik loop en ik loop… Ik weet niet waarom ik de rivier zo wanhopig probeer over te steken. Ik ben er gewoon van overtuigd dat het moet en daarom wil ik per se de boot halen. Ik ben zo zeker van mijn stuk. Als ik de boot zie vertrekken, voel ik mezelf volstromen met een uitzonderlijke kracht… Het lijkt dan alsof ik dwars door iets zal breken dat mijn weg verspert.’
In een klassieke verbeelding van een Chinese dorp vormt de rivier de grens tussen de eigen omgeving en de plek van een ander. Een vrouw die de rivier oversteekt, verlaat haar eigen land en begint een tocht door onbekend gebied. Volgens de traditie moest een vrouw die trouwde haar familie verlaten en een nieuw leven beginnen bij haar echtgenoot en zijn familie. Vertaald naar een hedendaagse context kan het oversteken van de rivier ook betekenen dat de vrouw op zoek gaat naar een baan in de stad. Of dat ze, aangezet door de nieuwe mogelijkheden die de instroom van buitenlands kapitaal creëerde, nieuwe kansen en een nieuw leven zoekt.
Ook Yan wilde breken met haar oude bestaan en doorbreken naar een nieuw leven. Nu wil ze af van de pijn en het ondraaglijke zijn dat haar bestaan bepaalt. De rivier oversteken zou een wereld van schitterende nieuwe kansen en mogelijkheden voor haar opengooien. Yans falen in haar droom reproduceert haar lot in de dagelijkse realiteit: ze kan niet vooruit en niet achteruit.Toch blijft ze vechten om de mogelijkheden in haar gebroken lichaam te realiseren. Als de kans op een toekomst weer eens geblokkeerd blijkt, breekt de schreeuw in haar door, in een authentieke daad van verzet.
Yan is bezig met een odyssee van menselijke vrijheid en praktijk. Vierentwintig jaar is te jong om te aanvaarden dat je leven aan scherven ligt.
Bewerking van Opening a Minor Genre of Resistance in Reform China: Scream, Dream and Transgression in a Workplace van Pun Ngai. Oorspronkelijk gepubliceerd in Positions 8:2 door Duke University Press, 2000. Blz. 531 - 555.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift